De tangens
1
a

Het punt ( 1,0 ) noemen we S . De helling van lijn O P is O Q O S = O Q , want O S = 1 .

b

t = 1 2 π + k π , met k geheel, want dan is lijn O P evenwijdig met de y -as.

c

Noem de projectie van P op de x -as R .
De driehoeken R O P en S O Q zijn gelijkvormig, dus sin ( t ) cos ( t ) = y P x P = O Q O S = tan ( t ) .

2
a

Teken de lijn door het punt ( 1, 3 ) en de oorsprong. De snijpunten van deze lijn zijn de twee mogelijke punten waar het kogeltje zich kan bevinden.
Met de GR: tan 1 ( 3 ) = 1,249 .
De twee punten zijn ( cos ( 1,249 ) , sin ( 1,249 ) ) = ( 0,316 ; 0,948 ) en het spiegelbeeld hiervan in de oorsprong ( 0,316 ;0,948 ) .

b

In het algemeen: de tijdstippen t = 1,249 + k π , met k geheel. Dus tussen 7 en 7 vind je t = 4,39 , 1,25 , 1,89 en 5,03

3
a

1 3 3 , 1 en 3

b

1 3 3 , 1 en 3

4
a

S is het punt ( 1,0 ) en R is de projectie van P op de x -as.
De driehoeken O P R en en O P zijn gelijkvormig, dus O S O Q = O R O P
1 O Q = | cos ( t ) | 1 . Er staan absolute-waardestrepen, omdat het over de lengte van O Q gaat en die is positief, de eerste coördinaat van cos ( t ) de eerste coördinaat van P kan ook negatief zijn.

b

Het is de stelling van Pythagoras in driehoek O S Q .

c

Deel sin 2 ( t ) + cos 2 ( t ) = 1 door cos 2 ( t ) en gebruik tan 2 ( t ) = sin 2 ( t ) cos 2 ( t )

5
a
b

Als bijvoorbeeld t 1 2 π , dan cos ( t ) 0 en sin ( t ) 1 , dus tan ( t ) .

c

Het snijpunt van lijn O P met de raaklijn in ( 1,0 ) , (zie de figuur bij opgave 47), is hetzelfde als het kogeltje π tijdseenheden verder is.
Of: sin ( t + π ) = sin ( t ) en cos ( t + π ) = cos ( t ) , dus tan ( t + π ) = tan ( t ) .

d

De periode is niet groter dan π , preciezer: de periode is π n met n positief geheel.

6

Van links naar rechts.

  1. cos ( x ) = 2 sin ( x ) tan ( x ) = 1 2 , de GR geeft: tan 1 ( 1 2 ) = 0,46 , dus x 0,46 of x = 0,46 + π 3,61 .

  2. 2 cos 2 ( x ) = sin ( x ) cos ( x ) cos ( x ) = 0  of  tan ( x ) = 2 ;
    de GR geeft: tan 1 ( 2 ) = 1,107 , dus x = 1 2 π ; 1 1 2 π ; 1,11 ; 4,25 .

  3. 3 cos ( x ) = 2 sin 2 ( x ) 3 cos ( x ) = 2 2 cos 2 ( x ) , dus cos ( x ) = 1 2 of cos ( x ) = 2 , dus x = 1 3 π of x = 1 2 3 π .

  4. sin 2 ( x ) = sin ( x ) cos ( x ) + 2 cos 2 ( x ) . Deel beide kanten door cos 2 ( x ) ,
    dan krijg je:
    tan 2 ( x ) tan ( x ) 2 = 0 , dus tan ( x ) = 1 of tan ( x ) = 2 .
    Dus x = 3 4 π ; x = 1 3 4 π ; x 1,11 of x 4,15 .

De afgeleide van de tangens
7

d d t sin ( t ) cos ( t ) = cos 2 ( t ) + sin 2 ( t ) cos 2 ( t ) = sin 2 ( t ) cos 2 ( t ) + cos 2 ( t ) cos 2 ( t ) = tan 2 ( t ) + 1 ,
maar ook d d t tan ( t ) = sin 2 ( t ) + cos 2 ( t ) cos 2 ( t ) = 1 cos 2 ( t ) .

8

d y d x = 2 tan ( x ) 1 cos 2 ( x )

d y d x = 1 2 tan x 1 cos 2 ( x )

d y d x = cos 2 ( x ) sin 2 ( x ) sin 2 ( x ) = 1 sin 2 ( x )

y = 1 + tan ( x ) tan ( x ) = 1 tan ( x ) + 1 ,

dus weer d y d x = 1 sin 2 ( x ) .

9
a

f ( x ) = tan 2 ( x ) , dus f ( x ) = 2 tan ( x ) 1 cos 2 ( x ) , dus f ( x ) = 0 x = k π voor alle gehele waarden van k en f ( k π ) = k π .
De buigpunten zijn dus: ( k π , k π ) , voor alle gehele waarden van k . Deze punten ( x , y ) hebben de eigenschap dat x + y = 0 .

b

G ( x ) = 1 cos ( x ) sin ( x ) = tan ( x )

c

Een primitieve van f is F met F ( x ) = ln | cos ( x ) | 1 2 x 2 .
De gevraagde oppervlakte is: 0 1 4 π f ( x ) d x = F ( 1 4 π ) F ( 0 ) = 1 2 ln 2 1 32 π 2 .

Somformules met de tangens
10
a

Dat klopt omdat sin ( a ) = sin ( a ) en cos ( a ) = cos ( a ) .

b

1 tan 2 ( a ) = 1 sin 2 ( a ) cos 2 ( a ) = cos 2 ( a ) sin 2 ( a ) cos 2 ( a ) = cos ( 2 a ) cos 2 ( a ) .

c

tan 2 ( a ) + 1 = sin 2 ( a ) cos 2 ( a ) + 1 = sin 2 ( a ) + cos 2 ( a ) cos 2 ( a ) = 1 cos 2 ( a )

d

tan ( a + b ) = sin ( a + b ) cos ( a + b ) = sin ( a ) cos ( b ) cos ( a ) sin ( b ) cos ( a ) cos ( b ) sin ( a ) sin ( b ) = sin ( a ) cos ( b ) cos ( a ) cos ( b ) cos ( a ) sin ( b ) cos ( a ) cos ( b ) 1 sin ( a ) sin ( b ) cos ( a ) cos ( b ) = tan ( a ) + tan ( b ) 1 tan ( a ) tan ( b )

e

Vervang in het vorige onderdeel b door b en gebruik onderdeel a.

11

Noem de horizontale afstand tot het bord x .
Dan tan α = 9,8 x en tan β = 5 x , dus tan ( α β ) = 9,8 x 5 x 1 49 x 2 = 4,8 x 49 + x 2 .
Dit is maximaal als y = x 49 + x 2 maximaal is.
y = x 2 + 49 49 + x 2 en y = 0 x = 7 (want x 0 ).
Dus de hoek is maximaal als x = 7 .

12
a

Je vindt: 3 + 3 + 3 = 3 3 3 en dat is juist.

b

Er geldt: tan ( 7 x ) = tan ( 2 x ) + tan ( 5 x ) 1 tan ( 2 x ) tan ( 5 x ) . Beide kanten van de gelijkheid met 1 tan ( 2 x ) tan ( 5 x ) vemenigvuldigen geeft het resultaat.

13

tan ( 1 4 π + x ) = tan ( x ) + 1 1 1 tan ( x ) = sin ( x ) + cos ( x ) cos ( x ) sin ( x ) = 1 + sin ( 2 x ) cos ( 2 x ) , want 1 + sin ( 2 x ) cos ( 2 x ) = sin 2 ( x ) + 2 sin ( x ) cos ( x ) + cos 2 ( x ) cos 2 ( x ) sin 2 ( x ) = ( sin ( x ) + cos ( x ) ) 2 ( cos ( x ) sin ( x ) ) ( cos ( x ) + sin ( x ) ) = sin ( x ) + cos ( x ) cos ( x ) sin ( x )

Limieten
14
a

Noem de projectie van R op de y -as T . De driehoeken L T R en L O S zijn gelijkvormig, dus: f ( t ) = O S O L = cos ( t ) 1 sin ( t ) .

b

Als t 1 2 π , dan nadert R naar L , dus O S wordt oneindig lang,
dus lim t 1 2 π cos ( t ) 1 sin ( t ) = .

c

cos ( t ) 1 sin ( t ) 1 + sin ( t ) 1 + sin ( t ) = cos ( t ) ( 1 + sin ( t ) ) ( 1 sin ( t ) ) ( 1 + sin ( t ) ) = cos ( t ) ( 1 + sin ( t ) ) 1 sin 2 ( t ) = cos ( t ) ( 1 + sin ( t ) ) cos 2 ( t ) = 1 + sin ( t ) cos ( t ) .

d

lim t 1 2 π cos ( t ) 1 sin ( t ) = lim t 1 2 π 1 + sin ( t ) cos ( t ) .
Als t 1 2 π , dan 1 + sin ( t ) 2 en cos ( t ) 0 , dus lim t 1 2 π 1 + sin ( t ) cos ( t ) = .
t 1 2 π , dan 1 + sin ( t ) 2 en cos ( t ) 0 , dus lim t 1 2 π 1 + sin ( t ) cos ( t ) = .

e

lim t 1 2 π 1 sin ( t ) cos ( t ) = lim t 1 2 π cos ( t ) 1 + sin ( t ) en als t 1 2 π , dan cos ( t ) 0 en
1 + sin ( t ) 2 , dus cos ( t ) 1 + sin ( t ) 0 .

15
a

2 , met de GR.

b

Substitueer a = 2 x , je krijgt: lim a 0 tan ( a ) a = lim x 0 1 2 tan ( 2 x ) x = 1 ,
dus lim x 0 tan ( 2 x ) x = 2 .

c

lim x 1 4 π cos ( 2 x ) cos ( x ) sin ( x ) lim x 1 4 π ( cos ( x ) sin ( x ) ) ( cos ( x ) + sin ( x ) ) cos ( x ) sin ( x ) =
lim x 1 4 π cos ( x ) + sin ( x ) = 2 .