4.6  Rekenen met kansen >
1
a
b

Kleur de drie bovenste lijntjes met kop.

c

125  keer, dus de kans is 125 1000 , dus 1 8 .

d

Zie figuur bij antwoord a.

e

Je moet hebben KKM en KMK en MKK. De kans is 375 1000 , dus 3 8 .

f

Ook 3 8 .

g

Hetzelfde als 3 kop, dus 1 8 .

h

De som is 1 .

2
a
b

25 1600 = 1 64

c

225 1600 = 9 64

d

675 1600 = 27 64

e

675 1600 = 27 64

f

Kansen opgeteld geeft 1 .

g

Voor het antwoord maakt het niet uit, maar het lijkt onlogisch en het is onhandig om met breuken te werken.

h

100 + 300 = 400 en 400 1600 = 1 4 en bij een vierkeuzevraag is 1 4 ook heel logisch.

3
a
b

100 600 = 1 6

c

kans op 0  goed = 100 600 = 1 6 ; kans op 1  goed = 400 600 = 2 3

d

1 op de 6  keer, je verwacht dus 5  keer te winnen.

4
a

2  mogelijkheden:
1  goed: 1 2 2 3 (van de 600 )
1  goed: 1 2 2 3 (van de 600 )
Samen is dit 2 3 (van de 600 ).
De kans is dus inderdaad 1 2 2 3 + 1 2 2 3 .

b

1 2 1 3 = 1 6

5
a
b

3 7 2 6 1 5 = 1 35

c

0  goed: 4 7 3 6 2 5 = 4 35
1  goed: 3 7 4 6 3 5 + 4 7 3 6 3 5 + 4 7 3 6 3 5 = 18 35
2  goed: 3 7 2 6 4 5 + 3 7 4 6 2 5 + 4 7 3 6 2 5 = 12 35

d

6 45 5 44 4 43 3 42 2 41 1 40 = 1 8.145.060 0,00000012277

6
a

6  keer gooien met een dobbelsteen, kies (bijvoorbeeld) dat de 1 raak is.

b

Schatting van de kans is aantal keer overleven 20

c

aantal keer overleven van alle leerlingen aantal leerlingen × 20

d

L = nog levend ; D = dood

5 6 5 6 5 6 5 6 5 6 5 6 = ( 5 6 ) 6 0,33

7
a

Soort 1: eerste of laatste kruk van de rij.
Soort 2: een kruk tussen twee krukken in.

b

De kans dat ze naast elkaar komen te zitten is: 2 9 1 8 + 7 9 2 8 = 2 9 .

8
a

Eerste stoplicht: kans op doorfietsen is 0,4 + 0,6 0,5 = 0,70 ;
Tweede stoplicht: kans op doorfietsen is 0,3 + 0,7 0,4 = 0,58 ;
D is doorfietsen ; S is stoppen

b

0,3 0,42 = 0,126

c

0,7 0,58 = 0,406

9
a

Kans op eerste keer zakken, tweede keer slagen is 0,52 0,65 = 0,338 .

b

Kans op eerste, tweede en derde keer zakken is 0,52 0,35 0,28 = 0,05096 .

c

0,48 209.182 = 100.407,36 100.407  personen

d

0,52 0,65 209.185 = 70.703,52 70.704  personen

10
a

Begin tegen vader, want twee keer tegen vader geeft meer kans op winst (toch??).

b

winnen van v, winnen van m of verliezen van v, winnen van m, winnen van v
de kans is 0,8 0,5 + 0,2 0,5 0,8 = 0,48 .

c

v en m net andersom heeft kans 0,5 0,8 + 0,5 0,8 0,5 = 0,6 . Dan was antwoord a toch fout, verrassend!!

11
a

VVA of VAV of AVV (A is aanwezig, V is verhinderd)
De kans is 0,2 0,2 0,8 + 0,2 0,8 0,2 + 0,8 0,2 0,2 = 0,096 .

b

VZ of VB of AZ (Z is ziek, B is beter)
0,2 0,3 + 0,2 0,7 + 0,8 0,3 = 0,44

12
a

De kans op mv of vv is 1 3 2 3 + 2 3 1 2 = 5 9 .

b

De kans op vv is 2 3 1 2 = 1 3 .

c

De kans op vmv of mvv is 2 3 1 2 1 2 + 1 3 2 3 1 2 = 5 18 .

13
a

0,5 + 0,5 0,05 = 0,525

b

In 2100  gevallen niets gevonden, in 100 van deze gevallen is er toch een bom. De kans op een bom is dus 100 2100 = 1 21 .

14
a
b

1 2 2 5 + 1 6 2 5 + 1 6 3 5 = 6 30 + 2 30 + 3 30 = 11 30