1
a

12 306 = 2 51 0,039 , ofwel (ongeveer) 4 % .

b

Uitslag 1 1 , kans 29 306 0,095 , dus (ongeveer) 9,5 % kans.

2
a

Gooi steeds met een dobbelsteen, noteer wat je gooit. Tel hoelang het duurt voor je 4 verschillende getallen hebt.

b

1 , 2 , 3 , 4 , 5 , 6

c

Gooi 6  keer met een dobbelsteen, noteer wat je gooit. Tel hoeveel verschillende getallen je hebt.

d

Hoogtes gemeten in mm: 0 ; 2 ; 22,5 ; 49 ; 22,5 ; 1,5 samen is dit 97,5 .
Nog geen vier verschillende is: 1 , 2 of 3 verschillende, de kans daarop is 0 + 2 + 22,5 97,5 0,25 , dus ongeveer 25 % kans.

3
a

-

b

Bij een simulatie van 500 keer bleek dit 11 % te zijn.

c

Bij een simulatie van 500 keer was dit 45 keer boodschappen van 15 euro.

4
a

52  weken, dus 52  zaterdagen, elke maand een extra trekking geeft
52 + 12 = 64  trekkingen. (Tenzij er in een jaar 53  zaterdagen vallen.)

b

64  keer 6  getallen is 384  getallen.
Elk getal komt gemiddeld ongeveer 384 : 45 = 8,533 8,5  keer.

c

8,533 : 64 = 2 15
Ook kan: ( 64 6 : 45 ) : 64 = 2 15 .

d

Onderbedeeld bij 8 of minder keer, dus 4 , 5 , 7 , 12 , 17 , 19 , 20 , 21 , 22 , 23 , 27 , 28 , 29 , 30 , 33 , 36 , 38 , 40 , 41 , 43 , 45 . (Dit is vrijwel de helft.)

e
5
a

Hoort bij 0,08 . 0,08 van 50 is 4 , dus 4 van de 50 is blauw.

b

Waarschijnlijk 0,2 dus 20 %.

c

15 : 50 = 0,3 ; 0,3 of meer komt 11 van de 100  keer voor.
Kans is 11 %.

6
a

Dat is één van de 40 keer gebeurd, dus de kans is 1 40 = 0,025 .

b

Door de simulatie (veel) vaker dan 40 keer uit te voeren.

c

Dat gebeurde 4 van de 40 keer, dus die kans is 4 40 = 0,1 = 10 % .

d

Het is een beetje vreemd dat de uitkomst 18-19 zo weinig voorkomt, terwijl lagere en hogere aantallen keer kop vaker voorkomen. Waarschijnlijk is bij deze ene simulatie deze uitkomst 18-19 toevallig wat weinig voorgekomen (en de uitkomsten ernaast toevallig wat vaker). De werkelijke kans zal dus hoger zijn.

e

Dit zal bij een groot aantal series waarschijnlijk dicht in de buurt van 21% liggen.