1.8  Extra opgaven >
1
a

Hij mag zoiets alleen beweren als er gedegen (statistisch) onderzoek is geweest waaruit het beweerde geconcludeerd kan worden.

b

Met statistiek kun je cijfermatig en objectief groepen met elkaar vergelijken en nagaan of zo'n uitspraak waar is. Je moet hiervoor o.a. weten hoe groot het aandeel van Marokkanen is in de misdaadcijfers van Amsterdam en dit dan vergelijken met het percentage Marokkanen in de bevolking van Amsterdam. Om aan deze cijfers te komen heb je statistisch onderzoek nodig.

c

De misdaadcijfers van Amsterdam over het afgelopen jaar opvragen of opzoeken. Vervolgens bekijken hoe vaak Marokkanen daarin voorkomen en hoe vaak niet-Marokkanen. Vervolgens berekenen hoeveel procent van de misdaden door Marokkanen is gepleegd. Tenslotte nagaan of dit percentage hoger is dan het percentage Marokkanen in Amsterdam.

2

Kon de klant snel terecht bij dit garagebedrijf?
Is de klant tevoren goed geïnformeerd over de kosten van de reparatie?
Is de klant tevoren goed geinformeerd over de tijdsduur van de reparatie?
Hoe hoog waren de kosten van van de reparatie?
Kon de klant wachten totdat de reparatie klaar was?
Hoelang duurde de reparatie?
Is de reparatie goed gelukt?
Zou de klant een volgende keer weer kiezen voor dit garagebedrijf?

3
a

Bij jongens is het percentage drugsgebruikers 40%, bij meisjes is het percentage drugsgebruikers 16,7%. Dus het verschil is 23,3%.

b

Het percentage jongens bij de drugsgebruikers is 66,7%, het percentage jongens bij niet-drugsgebruikers is 37,5%. Dus het verschil is 29,2%.

c
d
4
a

Het eerste kwartiel is 145, het tweede kwartiel (de mediaan) is 170, het derde kwartiel is 195.
Kwartielafstand: ( 195 145 ) / 2 = 50 / 2 = 25

b

Achter elk van de 10 stelen staan evenveel cijfers.

c
d

De tien stukjes van het reepdiagram zijn allemaal even hoog.

e

Tussen 120 en 220 liggen de punten (ongeveer) gelijk verdeeld.

f

Een rechte lijn oplopend van 0 bij 120 tot 100% bij 220.

5

Reepdiagram 1: veel mensen hebben weinig of zeer weinig interesse.
Reepdiagram 2: er zijn evenveel mensen met zeer weinig interesse als met weinig interesse als met veel interesse als met zeer veel interesse,
Reepdiagram 3: er zijn veel mensen met veel of zeer veel interesse,
Reepdiagram 4: mensen hebben overwegend zeer weinig of zeer veel interesse, weinig mensen hebben gematigd interesse,
Reepdiagram 5: mensen hebben overwegend gematigd interesse, weinig mensen hebben zeer veel of zeer weinig interesse.

6
a

Ja, als de percentages van mensen die veel aan liefdadigheid geven gelijk zijn onder de mensen met een hoog inkomen en met een laag inkomen.

b

Ja, als bijvoorbeeld de mensen met een laag inkomen allemaal weinig aan liefdadigheid geven en de mensen met een hoog inkomen allemaal veel aan liefdadigheid geven.

7
a

Het gemiddelde is 5 7 + 3 8 + 2 9 10 = 77 10 = 7,7 ,
de standaarddeviatie is 5 0,7 2 + 3 0,3 2 + 2 1,3 2 10 = 6,1 10 = 0,61 0,78

b

Bij het eerste resultaat is de sd gelijk aan 0,78,
bij het tweede resultaat is de sd gelijk aan 0,78,
bij het derde resultaat is de sd kleiner dan 0,78,
bij het vierde resultaat is de sd groter dan 0,78,
bij het vijfde resultaat is de sd groter dan 0,78.

8
a

Bij de mannen is de verhoudig voor : tegen gelijk aan a b ,
bij de vrouwen is de verhouding voor : tegen gelijk aan c d .
Dus de odds-ratio is a b / c d = a b d c = a d b c .

b

Bij de voorstemmers is de verhoudig man : vrouw gelijk aan a c ,
bij de tegenstemmers is de verhouding man : vrouw gelijk aan b d .
Dus de odds-ratio is a c / b d = a c d b = a d b c .

9
a

Bij Amsterdam zit de grootste stijging aan het begin en aan het eind van de cumulatieve frequentiepolygoon, bij Rotterdam zit de grootste stijging rond het midden van de cumulatieve frequentiepolygoon. Dus in Amsterdam liggen de meeste antwoordden verder van het gemiddelde af. Dus in Amsterdam is de meeste spreiding in de antwoorden.

b
10
a

Hoe groot de sd van het eerste proefwerk en die van de herkansing is.

b

De effectgrootte kan heel groot worden, als de beide sd's erg klein zijn. In het meest extreme geval zijn zowel de sd van het eerste proefwerk als die van de herkansing gelijk aan 0. Dit gebeurt als iedereen voor het eerste proefwerk hetzelfde cijfer haalt en daarna ook iedereen voor de herkansing hetzelfde cijfer haalt. Dan is de effectgrootte oneindig.

11

Hoe groter Δ, des te kleiner is de overlap, des te kleiner is de spreiding, des te groter is de effectgrootte.